Reisverhaal Griekenland mei 2005.
Door Onno Zweers
© 2005
Dit reisverhaal staat nog heel erg in de steigers. Ik heb geen idee wanneer ik het ga afmaken.
Op de luchthaven Aktio van Préveza was er een hartelijk weerzien tussen Maria‘s familie en die van mij. Er werd wat afgekust en geknuffeld, vooral tussen Lidy en Evgenia. Er werd essentiele informatie uitgewisseld zoals “het sneeuwde vannacht in Konitsa” en “wat zit je haar leuk”. Ik ontworstelde mij aan de hartelijkheden met de woorden “Ψάχνο το αυτοκίνητο”, ik zoek de auto. En jawel, teruglopend naar de ingang van de hal vond ik een juffrouw met een bordje met “Zwees” erop.
“I am mister Zwees,” zei ik grijnzend.
“Follow me,” zei ze zuinig.
Ze bracht me naar een heer met veel papieren die tussen auto’s en andere mensen in stond. Terwijl ik stond te wachten op het afhandelen van het papierwerk stond de rest van mijn gezelschap rond de auto van Tasos. Tasos was duidelijk in zijn nopjes met zijn nieuwe Skoda, deels gekocht met geld dat hij met speculeren op de beurs gewonnen had, en verder met een lening. Het van een nicht geleende kinderstoeltje werd op zijn achterbank geplaatst, zorgvuldig op een deken zodat de bekleding niet beschadigd zou worden. De bekleding van de achterbank bedoel ik, niet van het kinderstoeltje. Maria en haar familie namen plaats bij Tasos in de auto; Lidy, Tjerk en Claire in mijn huurauto.
De eerste vijf kilometer was Tasos nog makkelijk bij te houden. Buiten de bebouwde kom begon de snelheid. Hij leek hij wel die blauwe vis met geheugenproblemen in Finding Nemo, die vis die vergeten is dat ze iemand de weg wijst en denkt dat ze achtervolgd wordt. Nu ben ik al een beetje gewend hoe Greek drivers rijden. Waar ik echter nog niet aan was gewend, is om zelf zo te gaan rijden.
“Gaat het nog?” zei ik tegen Lidy, Tjerk en Claire wier gelaatskleur ik niet durfde te bekijken in de vrees dat een halve seconde genoeg was om Tasos uit het oog te verliezen.
“Ja hoor,” loog Tjerk.
“Tasos rijdt erg snel,” voegde Claire er aan toe.
Lidy lag achterin te slapen. Dat ze onkwetsbaar is voor schorpioenen wist ik al, maar dat zelfs de Griekse rijstijl haar onbewogen laat, dat was indrukwekkend.
En ik trapte het gaspedaal nog eens flink in, want Tasos was op een miniem stukje rechte weg bezig om een vrachtwagen in te halen, en als ik hem niet zou volgen, dan was ik hem voorgoed kwijt.
Dat bleek mee te vallen. We vonden Tasos’ auto weer stilstaand langs de weg. Ik stopte achter hem, blij dat ik mijn rechtervoet even kon ontspannen.
“Mijn vader en ik zijn het niet eens over de weg,” zei hij. “Volgens mijn vader moeten we hier linksaf, maar volgens de borden is het rechtdoor.”
“Ik weet het ook niet, ik rijd gewoon achter jou aan,” en ik probeerde het ‘gewoon’ zo gewoon mogelijk te laten klinken.
En daar gingen we weer. Steentjes spatten in het rond, stofwolken bleven achter ons hangen, en uit engineering kwam het bericht dat warp 9 toch echt te veel was voor de motor.
Vlak voor Ioannina stopte Tasos weer langs de weg. Hij stelde voor om niet in Ioannina te blijven hangen, want zijn woning ligt helemaal in het centrum van Ioannina. Dat betekent een half uur in de file de stad in en een half uur in de file de stad uit. We waren het eens dat het makkelijker zou zijn om meteen door te rijden naar Konitsa. Hij wist een sluiproute om de westkant van Ioannina heen die ons veel tijd zou besparen. En reken maar dat wij tijd bespaard hebben, al was sluiproute niet het juiste woord.
De weg van Ioannina naar Konitsa had ik al vaak afgelegd, en ik liet Tasos aan zijn lot over om in mijn eigen tempo te gaan rijden. Toen we in Konitsa aan kwamen, stond het eten al op tafel.
Na twee weken vakantie, waarvan de laatste dagen in Parga, bracht ik Lidy, Tjerk en Claire weer terug naar Préveza. De auto leverde ik weer in, en mijn drie reisgenoten gingen in een rij staan die zo lang was dat hij U-vormig de hele hal vulde. We namen afscheid en toen begon voor mij de uitdaging: hetzelfde traject Aktio-Konitsa, maar dan zonder huurauto.
Ik wist dat er een KTEL-bus ging van Preveza naar Ioannina en die wilde ik nemen. Maar helaas was het KTEL-station niet bij Aktio, de luchthaven, maar in Preveza. Ik liep naar de taxi’s.
“Πόσσο κάνει για το ΚΤΕΛ για τα Γιάννινα;” vroeg ik in mijn beste Grieks. “Twenty euro,” was het antwoord; het lukt mij nog steeds niet om mijn aura van toerist af te schudden. “20 ευρο?” riep ik verontwaardigd. “Γιατι τόσο ακριβο;” waarom zo duur? Ik wist dat het niet meer dan 10 minuten rijden was en ik had voor dat bedrag al eens zes keer zo lang in een taxi gezeten. In Nederland waren dit misschien normale bedragen, maar in Griekenland was dit afzetterij. “The tunnel alone costs 6 euro.”
Er was inderdaad een toltunnel tussen Aktio en Preveza. “The tunnel costs 3 euro. I know, I have been there twenty minutes ago.” “You forget I have to come back again.” Ik was ervan overtuigd dat hij mij alleen zoveel vroeg omdat ik een buitenlander was. Ik wist bovendien dat hij als taxichauffeur een kortingskaart had voor de tunnel. Hij wilde mij dus het volle pond vragen en het verschil in zijn eigen zak steken. Gelukkig kende deze buitenlander genoeg Grieks om zonder taxi te reizen. Ik liep de hal in, naar de informatiebalie.
“Hé, ben je daar weer?” zei Lidy. Ze waren al een paar meter opgeschoten. “Ja, de taxichauffeur wilde mij afzetten, ik ga met de bus. Doeeeg!” “Ja, goeie reis!”
Ik vroeg bij de balie naar de eerstvolgende bus richting stad. Die zou over twintig minuten gaan; beter kon bijna niet. Ik hoefde alleen maar aan de overkant van de weg te gaan staan. Dat deed ik. Ik bedacht, dat waarschijnlijk ooit een argeloze toerist heeft gezegd: “What, only 5 euro? That’s cheap! In Holland we pay 40 euro to the airport!” waarna de taxichauffeurs hun kans schoon zagen.
Na een kwartier kreeg ik dorst en zocht ik iets te drinken in mijn rugzak. Toen ik mij weer omdraaide, zoefde net in volle vaart de KTEL-bus voor mijn neus. Mijn god, straks moet ik twee uur wachten op de volgende... Ik zwaaide wild om hem te laten stoppen maar de bus was al voorbij. Ik voelde mij heel erg dom. De stoere, zelfstandige reiziger die de taxichauffeurs wel even te slim af zou zijn... Wat nu te doen?
Er reden regelmatig auto’s vanaf de luchthaven richting Preveza. Op goed geluk stak ik mijn duim uit. De derde auto stopte. “Jij bent zeker Nederlander he?” Hm, ik geloof dat integreren in Griekenland voor mij een verloren zaak is. Het was een Nederlandse familie met twee kinderen, die net iemand op het vliegtuig hadden gezet en nu verder vakantie gingen vieren. Natuurlijk mocht ik mee naar Preveza, alleen wisten ze niet waar de KTEL was. In de binnenstad van Preveza leek het mij beter om niet eindeloos rondjes te rijden, maar om op eigen kracht naar de KTEL te vragen en te lopen. “Stop maar hier, dan loop ik wel verder... Bedankt!” De auto reed weg en ik bleek precies voor het KTEL station te staan. Nu had Maria mij gewaarschuwd dat er twee KTEL-stations zijn in Preveza. En dit was net de verkeerde. Na een half uurtje lopen met de rugzak op mijn rug vond ik de andere. Die was gesitueerd naast een grote begraafplaats. Of hier een bedoeling achter stak wist ik niet, maar ik besloot er maar niet teveel op te letten. Ik kocht in mijn beste Grieks een kaartje voor Ioannina en hoefde slechts drie kwartier te wachten. In een witte bus liet ik mijn kaartje controleren door een jongen met een bol gezicht en leunde tevreden achterover.
Ioannina heeft, net als Preveza en Athene, ook twee KTEL-stations. De witte bus kwam aan op de ene en mijn volgende bus vertrok van de andere. Ik had geen zin om mij te verdiepen in stadsbussen en wilde ook nog langs een fotowinkel, dus ik ging weer te voet. Op het andere KTEL station sprak een vrouw mij aan in hardnekkig Engels. Zij had in Canada gewoond en was blij haar Engels uit de kast te kunnen halen, niet merkende dat ik zo graag mijn Grieks wilde oefenen en het niet zo leuk vond dat iedereen mij maar leek te zien als een toerist. “Ik ben geen toerist, ik ben een vrij goed geïntegreerde allochtoon! Begrijp dat dan!” had ik bijna gezegd als ik het Griekse woord voor “geïntegreerd” had geweten.
De bus naar Ioannina kwam onder het afdak rijden. Hee, grappig, alweer een witte bus, terwijl KTEL-bussen doorgaans groen-beige zijn. Toen de jongen met bol gezicht mijn kaartje kwam controleren hadden wij allebei een deja-vu. “Als ik dat geweten had...” zei ik, en wij lachten.
Een uurtje later liep ik de keuken van mijn schoonouders binnen. Iedereen zat aan tafel: Maria, Simon, haar ouders, Tasos, Eleni en Thomas. Ik werd met gejuich en “bravo!” en “nu al? wat snel gedaan!” begroet, en kon meteen aanschuiven voor een heerlijke warme lunch.